← back to paulvandervelde.nl

paulvandervelde.nl

Inleiding

Paul van der Velde

Een Indische liefde

P.J. Veth (1814 - 1895) en de inburgering van Nederlands-Indië

Inleiding

Pieter Johannes Veth is een van de eerste Nederlanders die zich met hart en ziel op de studie van Nederlands-Indië hebben gestort. Hij werd daarbij niet alleen gedreven door een zucht naar kennis maar nog meer door het besef dat Nederlands-Indië van vitaal belang was voor het instandhouden van de Nederlandse identiteit. Dat besef brak rond het midden van de negentiende eeuw, na de liberale omwenteling, volledig bij hem door. Vanaf dat moment, tot het eind van zijn leven, bleef de samensmelting van de materiële en geestelijke belangen van moederland en kolonie, die uiteindelijk zou moeten leiden tot een assimilatie van de bevolkingen, zijn voornaamste streven.

Aanvankelijk deelden weinigen dat streven, maar in de loop van de jaren kreeg hij in steeds bredere lagen van de bevolking een groeiend aantal medestanders. Dat bereikte hij zowel door het toegankelijk maken en verspreiden van kennis over Nederlands-Indië als door de organisatie van de pro-koloniale krachten in de samenleving. Al doende groeide hij uit tot dé Indische specialist wiens autoriteit door niemand betwist werd. Gedurende de tweede helft van zijn leven was Veth dan ook een publieke figuur en een van de weinige Nederlanders die in het buitenland aanzien genoten.

Die bekendheid dankte hij niet alleen aan zijn wetenschappelijke prestaties maar meer nog aan zijn grote maatschappelijke betrokkenheid, en het vermogen om actuele vraagstukken snel en helder onder woorden te brengen. Hij deed dat bijvoorbeeld na de onverwachte nederlaag van het koloniale leger tegen de Atjehse troepen (1873). In zijn boek daarover reikte hij een geschokte natie handgrepen aan om de nationale schande uit te wissen. Hiermee toonde hij zich een geëngageerd geleerde voor wie het wetenschappelijke in het verlengde van het maatschappelijke lag en andersom.

Hoe kan het dat de herinnering aan een man ‘wiens roem ver over de grenzen van ons land’ reikte zo snel uit het collectieve geheugen verdween? Enerzijds werd dat juist veroorzaakt door zijn publieke rol die na zijn dood was uitgespeeld. Anderzijds kwam het doordat zijn encyclopedische manier van werken al tijdens zijn leven verdrongen werd door de specialistische, waardoor de werken die hem faam bezorgden al snel verouderd waren. Slechts in een kleine kring van historisch geïnteresseerde Indologen, geografen, antropologen en koloniale historici bleef hij een zekere bekendheid genieten.

Hierdoor werd het zicht van velen op de geschriften van Veth die de toets der tijd wel doorstonden belemmerd. Daartoe behoort een aantal artikelen, redes en kritieken. Wie weet bijvoorbeeld nog dat Veth de grote stoot tot de bekendheid van Multatuli gaf? Wie kent nog zijn vlijmscherpe boutade tegen de slavernij in Suriname? Of zijn emotionele oproep aan de Britten om de onafhankelijkheid van Transvaal te erkennen?

Een verklaring van later datum waarom Veth zo snel vergeten is, kan gezocht worden in het gegeven dat de negentiende eeuw een relatief weinig bestudeerd tijdperk was in Nederlands historisch onderzoek. Die negentiende eeuw werd in grote lijnen gekenmerkt door de opkomst van de burgerij, nationale bewustwording, de afschaffing van de slavernij, de industriële revolutie, versnelling van de communicatie en de verovering van grote koloniale rijken door westerse machten. Veth werd beïnvloed door of was propagandist van stromingen die met die fenomenen samenhingen, zoals het liberalisme, de romantiek, het positivisme, het sociaal darwinisme en het imperialisme. Deze interactie tussen Veth en de (inter) nationale samenleving was afdoende om een biografie van hem te rechtvaardigen.

Mijn belangstelling voor Veth werd gewekt tijdens het schrijven van mijn doctoraalscriptie over de Midden-Sumatra-expeditie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) waarvan hij voorzitter was. Pas later, toen ik geboeid raakte door de biografie als historisch genre, groeide het plan een biografie van hem te schrijven. Zelf schreef hij meer dan tien langere levensschetsen en een biografie. Hij gaf mij de leidraad voor deze studie. "Het onderwerp moet biographie zijn, en het leven van den hoofdpersoon zoodanig, dat het als ’t ware het middelpunt vormt eener reeks van belangrijke gebeurtenissen; in zulk een leven moet eene bepaalde periode worden aangetroffen, genoegzaam een afgerond geheel uitmakende, om niet dadelijk de voortspinning van den afgebroken draad te doen verlangen; het privaatleven van dien persoon moet rijk zijn in incidenten, die de opteekening waardig zijn, en er moeten bronnen voorhanden zijn, waaruit de kennis dier incidenten geput kan worden, hoedanige slechts zeer zelden worden aangetroffen, om een werk, naar het hierboven aangewezen plan ontworpen, te doen gelukken."

Terugkijkend op deze biografie heeft die zich goeddeels aan Veths richtlijnen gehouden. De ‘belangrijke gebeurtenissen’ en ‘incidenten’ kwam ik gaandeweg op het spoor en de ‘bepaalde periodes’ waarin zijn leven ingedeeld kunnen worden vormen nu de hoofdindeling van deze biografie. Aan bronnenmateriaal was geen gebrek. Naast zijn eigen omvangrijke oeuvre en zijn brievencollectie die meer dan tweeduizend brieven van vijfhonderd personen telt, vormen het archief van het Ministerie van Koloniën, het archief van het KNAG en andere bronnencollecties verspreid over een groot aantal archieven, de voornaamste pijlers van deze studie. Natuurlijk is er over bepaalde periodes meer materiaal beschikbaar dan over andere. Zo is er weinig over zijn jeugd en ook over sommige periodes erna zijn er minder gegevens voorhanden.

Desalniettemin is er een voldoende hoeveelheid materiaal die mij tot zekere onderwerpkeuzes dwong, welke in de hoofdstukindeling zijn terug te vinden. Dit is gebeurd aan de hand van een aantal thema’s die zich gedurende het onderzoek haast dwingend aan mij opdrongen, zoals: de ideologische wortels van het Nederlandse imperialisme en het culturele nationalisme; de invloed van de wetenschap op de koloniale politiek en de werking van de koloniale lobby in de praktijk. Weliswaar zijn deze thema’s al uitgebreid aan de orde gekomen in historische studies maar door ze vanuit het perspectief van Veths leven te beschouwen, wordt de onderlinge samenhang veel duidelijker. Veth dient dan als ‘cement’ voor die negentiende-eeuwse fenomenen die voorheen weinig met elkaar in verband zijn gebracht.

Veth klaagde zelf over het ontbreken van biografieën van belangrijke figuren en de overdaad aan die van onbelangrijke personen. In die situatie is in Nederland nog weinig verandering gekomen want hoewel sommigen van een biografische hausse spreken, vallen de meeste onder de door Veth gesignaleerde categorie ‘overdaad’. Het is vermoedelijk zo dat wanneer Veth predikant was geworden hij allang met een biografie zou zijn bedacht. Tot die minder belangrijke figuren rekende hij overigens ook de meeste geletterden. "Men behoeft slechts lid van een of ander onzer talrijke geleerde genootschappen te zijn, om door zijn laatsten ademtogt het sein te geven, dat de pen van eenen ex officio daartoe geroepen biograaf in den inkt worde gedoopt, ten einde aan de nagedachtenis des afgestorvenen de vereischte hulde te brengen." Naast kortere levenberichten is er met uitzondering van de evenwichtige necrologie van zijn vriend en collega P.A. van der Lith weinig meer over Veth geschreven. Hoe anders verliep het in dat opzicht met zijn neef, de kunstenaar en kunstcriticus J.P. Veth, die al kort na zijn dood door J. Huizinga gebiografeerd werd. Wanneer ik vertelde dat ik met een biografie van Veth bezig was, dacht vrijwel iedereen dat het om deze neef ging.

Of ‘onze Veth’ zichzelf tot de ‘meeste geletterden’ zou hebben gerekend blijft natuurlijk gissen. Hij zou er niet over in gezeten hebben dat er weinig over hem geschreven was. "Vergeefs zoekt men licht omtrent menigen persoon, van wien men vermoeden mag dat hij groote daden heeft verricht en een merkwaardigen, vaak zelfs avontuurlijke levensloop heeft gehad." Veths leven was noch een opeenvolging van geruchtmakende daden noch was het een bijzonder incidentenrijk avontuurlijk leven. Wel is mij tijdens deze studie gebleken dat zijn denkbeelden tot op de dag van vandaag doorwerken en invloed uitoefenen op ons denken over de verhouding tussen Indonesië en Nederland.

 

HERWAARDERING

Het mag dan ook geen verbazing wekken dat P.J. Veth de laatste tijd op de golven van de niet aflatende belangstelling voor Indonesië weer in boeken, artikelen en columns opduikt. Zo is hij voor de een de ‘befaamde allesweter’, spreekt de ander over de ‘geleerde glitter van de duizendpoot Veth’, en is hij voor een derde een ‘veelzijdige en bijzonder erudiete geleerde’. Die herwaardering is een zeer recent verschijnsel en hangt ook samen met een meer generalistische benadering van de geschiedschrijving in reactie op de doorgeslagen specialistische werkwijze. Ook in kringen van specialisten is sprake van een herwaardering voor het grondleggende en baanbrekende werk van Veth. Want had hij niet de etnografie van Nederlands-Indië op een internationaal niveau gebracht? Of was hij niet de eerste filoloog die zich met leenwoorden uit het Maleis in het Nederlands bezighield?

In 1997 werd in Leiden een fonds voor studenten antropologie opgericht dat naar hem genoemd is en nu naast het reeds in 1898 opgerichte Veth-Fonds voor geografen bestaat. Onlangs werd voor het eerst sinds lange tijd weer de Veth-medaille voor bijzondere prestaties op geografisch terrein uitgereikt. En ter gelegenheid van de viering van het 84ste lustrum van de Universiteit Leiden in 1995 had onder de titel ‘Nederlands-Indië op Papier’ in de Universiteitsbibliotheek een tentoonstelling plaats die grotendeels aan Veths wetenschappelijke arbeid was gewijd. Die herwaardering is een zeer welkom verschijnsel want niets is moeilijker dan een volslagen vergeten persoon opnieuw tot leven te wekken.

Wanneer mijn collega’s iets van Veth afwisten, werd die kennis altijd bondig samengevat met de woorden ‘nooit in Indië geweest’. Het had altijd een beschuldigende ondertoon in de trant van: hoe kan iemand die er nooit is geweest er iets vanaf weten? Dat het voor hedendaagse specialisten van zekere takken van wetenschap, zoals antropologie, etnologie en geografie, van belang is hun werkterrein fysiek te bezoeken, staat buiten kijf. Maar om die bewering toe te passen op de grondlegger van al die takken van wetenschap in Nederland, is niet alleen een anachronisme, maar getuigt ook van weinig begrip omtrent de inrichting van het toenmalig wetenschappelijk bedrijf. Immers, in de hiërarchische verhoudingen van toen vlogen de werkbijen uit om de informatie te verzamelen terwijl de koningin, in casu Veth, thuisbleef om er solide kennis van te brouwen.

Veth was zelf overigens maar al te zeer doordrongen van het nadeel niet in Indië te zijn geweest; tegelijkertijd wees hij er echter op dat zij die er wel geweest waren zich meestal ook niet als deskundigen konden opwerpen. Hij vond dat "[…] tout simplement eene dwaasheid, en een bewijs van verregaande onnozelheid in hen die er zich schuldig aan maken." Zeker, zo vond hij, ging de vergelijking niet op voor iemand die net als hijzelf het grootste deel van zijn leven aan de studie van Indië had gewijd. Om zijn stelling te onderbouwen wees Veth op andere bekende auteurs die met hetzelfde manco hadden geworsteld, maar die er niettemin in geslaagd waren een veel samenhangender beeld te scheppen van een periode of een gebied dan zij die er in geleefd hadden.

Veel van Veths tijdgenoten wisten dat hij de man was die Indië had ontsloten. Zijn kennis van Nederlands-Indië torende hoog boven die van ieder ander uit. Zelfs zij die ernaartoe gingen, gebruikten zijn beschrijving van Java als de ultieme reisgids. Dat boek was onderdeel van een breed en veelzijdig oeuvre dat meer dan twintigduizend bladzijden omvat en waarvan tachtig procent aan Nederlands-Indië is gewijd. Het meeste daarvan is in de hem kenmerkende beeldende, soms geestige stijl geschreven waarmee hij zelfs gortdroge onderwerpen verteerbaar maakte. Of hij nu over de cultuurwet of het muntstelsel of over hasj of sambal schreef, altijd glinsterde er wel wat. Bovendien ‘verstopte’ hij in zijn geschriften frequent autobiografische gegevens die ik niet op het spoor zou zijn gekomen zonder lezing van zijn werk.

Ik laat Veth dikwijls zelf aan het woord, niet alleen vanwege zijn prikkelende uitspraken of aantrekkelijk taalgebruik maar vooral omdat ik mij altijd bewust ben gebleven van het intermediaire karakter van het werk van een biograaf. Eigenlijk had zijn biografie vijf jaar geleden rond zijn honderdste sterfdag af moeten zijn. Veth zal het mij zeker vergeven dat ik daar niet in geslaagd ben. Want als wij dan iets gemeenschappelijks hebben, is dat onze drang met meer activiteiten van publicistische en organisatorische aard tegelijkertijd bezig te zijn.

Tijdens de herdenking van die sterfdag in april 1995 werd ter ere van hem een plaquette onthuld. (zie foto) Die werd toepasselijk aangebracht op het gebouw aan de Nonnensteeg in Leiden dat als een broedplaats van Azië-studies beschouwd kan worden, met instellingen als het Instituut Kern, de Research School CNWS en het International Institute for Asian Studies (IIAS). Toen die het gebouw betrokken, werd er een discussie gevoerd of het niet het P.J. Veth-gebouw gedoopt moest worden. In het universiteitsblad Mare verscheen een artikel onder de titel ‘Wie is die Veth?’. Daaruit bleek dat bij een klein aantal bewoners grote weerstand bestond tegen dat idee omdat ze klaarblijkelijk niet wisten wie hij was. Ik hoop ondermeer dat hiaat in hun kennis met deze studie te vullen.

Onder de plaquette staan veelzeggende woorden: "Wie niet verbaasd staat over de kennis van Prof. Veth heeft geen verstand van kennis." Deze uitspraak van Multatuli dreef mij tijdens het schrijven van deze biografie onophoudelijk voort. Ik kon mij geen mooier motto voor dit boek wensen.